Het antwoord op deze vraag kan het verschil maken tussen wel een WW-uitkering of geen WW-uitkering. De rechtbank Oost-Brabant (ECLI:NL:RBOBR:2026:1840) moest recent deze vraag beantwoorden in een kwestie waarin een verzekerde het niet eens was met de beslissing op bezwaar waar het UWV de WW-uitkering had geweigerd, omdat niet aan de voorwaarden voor een WW-uitkering werd voldaan.
Volgens het UWV voldoet de verzekerde niet aan de wekeneis, omdat hij in de 36 weken voorafgaand aan de werkloosheid geen 26 weken heeft gewerkt. Volgens de verzekerde heeft hij buiten zijn schuld om een deel van de referte periode niet gewerkt, doordat zijn werkgever hem ten onrechte op staande voet heeft ontslagen en hem niet tewerk wilde stellen. De verzekerde heeft (uiteindelijk) wel met zijn werkgever een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin een beëindigingsvergoeding door werkgever is betaald van € 20.000 bruto.
Ten aanzien van de wekeneis oordeelt de bestuursrechter dat het feit dat verzekerde door toedoen van zijn ex-werkgever niet aan de wekeneis voldoet, niet aan het UWV kan worden tegengeworpen. Daarvoor moet verzekerde bij zijn ex-werkgever zijn. Die beroepsgrond slaagt dus niet.
Vervolgens stelt de verzekerde dat de betaalde beëindigingsvergoeding van € 20.000 bruto als SV-loon gezien moet worden over de periode dat zijn ex-werkgever hem niet te werk wilde stellen, zodat hij daarmee alsnog aan de wekeneis voor de WW voldoet.
Ook met dit standpunt maakt de bestuursrechter korte metten: uit de vaststellingsovereenkomst volgt duidelijk dat verzekerde een beëindigingsvergoeding heeft ontvangen en als verzekerde had bedoeld dat dit als SV-loon moest kwalificeren, dan hadden partijen dat expliciet in de vaststellingsovereenkomst moeten opnemen. Dat is niet gebeurd en had op de weg van verzekerde gelegen dat wel te doen. Bovendien: de verzekerde werd bij de onderhandelingen door een jurist bijgestaan.
Tot slot voert de verzekerde als laatste strohalm aan dat de polisadmininstratie van het UWV niet klopt. Dit kan de verzekerde niet baten: de bestuursrechter oordeelt dat de verzekerde onvoldoende heeft aangetoond dat de informatie uit de polisadministratie van het UWV niet juist zou zijn en dat de vergoeding SV-loon betreft.
Kortom: de vergoeding is geen SV-loon en er wordt niet voldaan aan de wekeneis van artikel 17 WW.
Het SV-loon is niet alleen relevant voor de wekeneis voor de WW en loongerelateerde component van de WGA-uitkering, maar bijvoorbeeld ook bij het bepalen van de hoogte van uitkeringen op grond van de ZW, WAO, WIA en Toeslagenwet wordt uitgegaan van het SV-loon. Het is dus van belang om bij het sluiten van een vaststellingsovereenkomst als werknemer rekening te houden met de omstandigheid dat een beeindigingsvergoeding in principe niet als SV-loon wordt gezien.
