Bij de WIA-beoordeling wordt - kort gezegd - op basis van een persoonsprofiel en een door de verzekeringsarts opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) het CBBS geraadpleegd. Het CBBS is een systeem gevuld met functies die op de Nederlandse arbeidsmarkt voorkomen en selecteert op basis van de FML en het persoonsprofiel van een verzekerde functies die passend zijn bij een specifieke verzekerde.
Schematisch ziet dat er volgens het UWV (zie “Basisinformatie CBBS versie 6.0”) als volgt uit:

Als er uiteindelijk ten minste 3 functies (met ten minste 3 arbeidsplaatsen) uit het CBBS komen rollen, dan kan de arbeidsdeskundige van het UWV vaststellen wat het loonverlies van een verzekerde is en of recht bestaat op een WIA-uitkering.
Het CBBS en de functies die in het CBBS zijn opgenomen, staan regelmatig in de rechtspraak ter discussie. Dat is ook logisch, want het systeem is een van de cruciale onderdelen van de WIA-beoordeling.
Recent stond bij de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2025:688) opnieuw het CBBS - meer in het bijzonder de functies die daarin zijn opgenomen – ter discussie.
In deze zaak stelde de verzekerde zich op het standpunt dat de door het UWV geselecteerde functies niet passend waren, onder meer omdat de functies ‘assembly worker A’ en ‘assembly worker B’ volgens de verzekerde bijna hetzelfde zijn en daarom ten onterechte in verschillende SBC-codes zijn ingedeeld. Daarnaast stelde de verzekerde dat het UWV uitging van een te hoog uurloon bij deze functies. Daarmee was mogelijk sprake van een situatie dat verzekerde mogelijk wél aanspraak zou hebben op een WIA-uitkering.
De Raad is het niet eens met de verzekerde. Volgens de Raad verschillen de twee functies wel voldoende van elkaar en zijn deze niet gelijksoortig. De functies verschillen namelijk ten aanzien van het salaris, opleidingsniveau en in taken. Ten aanzien van het loon dat voor deze functies is opgenomen in het CBBS, geldt dat dit niet te hoog is enkel omdat de verzekerde op internet informatie heeft gevonden dat deze functies in de praktijk lager beloond zijn. Daarbij wijst de Raad nog eens op de werkwijze van het UWV bij het actueel houden van de functies en de loonwaarde (zie r.o.v. 4.3.4).
Daarmee heeft het UWV volgens de Raad voldoende arbeidsdeskundig onderbouwd dat de functies terecht aan de WIA-beoordeling ten grondslag zijn gelegd en de verzekerde geen recht heeft op een WGA-uitkering, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Deze uitspraak past in een lijn van uitspraken van de Raad, waarin belanghebbenden (schadelastdragende werkgevers en verzekerden) een poging wagen ‘twijfel te zaaien’ over de juistheid/vulling van het CBBS. Dat is vrijwel onmogelijk, zo lijkt het, en leidt tot veel verwarring, onbegrip en vragen bij belanghebbende werkgevers en verzekerden.
